Graafschap Loon

Op wereldlijk vlak behoorde Overpelt en het grootste gedeelte van Neerpelt tot het graafschap Loon. Dit onafhankelijke vorstendom werd in 1366 wegens het uitsterven van de graaflijke familie bij het prinsbisdom Luik aangehecht, maar behield toch een zekere bestuurlijke onafhankelijkheid tot aan de Franse Revolutie. Het graafschap Loon was onderverdeeld in zes ambten of drossaardschappen. Eén daarvan was het ambt Pelt, sinds 1585 onder de naam Pelt-Grevenbroek.

Dit ambt omvatte een aantal lokale rechtbanken, schepenbanken genoemd, die zowel burgerlijke als criminele rechtszaken behandelden. De Schepenbank van Pelt had als rechtsgebied de gemeenten Overpelt, Neerpelt, Kleine-Brogel en Kaulille. Aan het hoofd van het ambt stond de drossaard, de edelman die zich voor de uitoefening van zijn functie liet vervangen door de luitenant-drossaard. Hij bezat uitgebreide macht op militair, bestuurlijk en gerechtelijk vlak.

Jan Matthijs Clercx, die verbleef op het landgoed van Het Hobos, was feitelijk luitenant-drossaard van het ambt Bree-Stokkem. Aan het hoofd van de Schepenbank stond de schout. De laatste schout van Pelt was Petrus Franciscus Mardaga. Drossaardschappen en lokale schepenbanken verdwenen met de Franse Revolutie.

Op bestuurlijk-fiscaal gebied was Overpelt en Neerpelt ingedeeld in heerwagens of kwartieren met elk een jaarlijks verkozen burgemeester: Broeseinde, Boseinde, Grote Heide, Herent, Hasselt, Lindel, Hoeven-Heesakker en Hoverseinde-Haspershoven.

Sint-Huibrechts-Lille heeft een zelfstandige ontwikkeling doorgemaakt. De naam Lille gaat terug op de grondvorm "Lindelo" wat betekent "Lindenbos". De toevoeging van de heiligennaam Sint-Huibrecht dateert uit de 17de eeuw en houdt verband met de in de 16de eeuw ontstane verering van Sint-Hubertus. De oude gemeente Sint-Huibrechts-Lille behoorde samen met de gemeente Achel tot aan de Franse revolutie tot de heerlijkheid Grevenbroek.