Schansen

In de zestiende eeuw werd het prinsbisdom Luik als neutrale bufferstaat regelmatig door vreemde legerbenden overspoeld. Het vorstendom was voor de strijdende partijen een geliefkoosd gebied om uit te rusten en proviand op te doen. Daardoor was er een voortdurend komen en gaan van vreemde troepen en de daarmee gepaard gaande opeisingen en plunderingen. Een triestige herinnering uit de Lilse geschiedenis blijft het jaar 1651 waarin de Lorreinen de kerk in brand staken. In de kerktoren, die als verdedigingstoren dienst deed, kwamen een dertigtal inwoners om het leven.

In onze Kempische dorpen, waar men niet beschikte over burchten, kasteelhoeven en stadswallen, probeerde de bevolking zich te beschermen door de aanleg van schansen. Dit waren vluchtoorden, aangelegd op laaggelegen terreinen, omgeven door een aarden wal en een brede gracht. Binnen deze schansen, die afgesloten konden worden met een ophaalbrug, vond de bevolking, wonend in schansgezellen - kleine noodwoningen - een zekere bescherming bij de doortocht van vreemde legers.

In Overpelt werden vijf schansen aangelegd, op de gehuchten Hoverseinde, Heesakker, 't Hasselt, Lindel en Hoeven. De meeste schansen werden na 1800 door de gemeenschap aan particulieren verkocht. De Hasseltse schans, met haar bastions en voorschans, bleef prachtig bewaard.